Bij een Romeins legerkamp lag vaak een kampdorp, een vicus. In de vicus woonden de vrouwen en kinderen van de soldaten, maar ook handelaren en ambachtslieden. Verder waren in zo’n dorpje winkeltjes te vinden, bars en eethuisjes, een badhuis en misschien zelfs een herberg. In de werkplaatsen maakten de ambachtslieden aardewerk, helmen, schoenen en wapens. Ook repareerden zij uitrustingsstukken van het leger. De vondst van zaden van verfplanten doet archeologen vermoeden dat lokale ambachtslieden ook kleding en textiel maakten. Langs het kanaal lagen pottenbakkerijen waar dakpannen en slingerkogels werden geproduceerd, waarschijnlijk door de soldaten zelf.
De vicus stond dus in dienst van het leger. Aan het eind van de 2de eeuw na Chr. zullen er ongeveer 500 mensen rond castellum Matilo hebben gewoond.


