Het Romeinse leger was een beroepsleger. Soldaten waren in dienst voor zeker 20 jaar en in die tijd was het leger hun leven. Ze woonden in houten barakken. Met zes of acht man deelden ze een zogenaamd contubernium. In de voorste ruimte, de arma, konden ze hun spullen stallen, zoals kleding, wapenrusting, serviesgoed en kookspullen. Achter de arma lag de papilio. Hier sliepen ze, misschien in stapelbedden – die overigens nooit zijn gevonden – of op zolder. In dit vertrek van nog geen 20 m2 bevond zich ook een haard, voor warmte, licht en om te koken.
Wist je dat er niet alleen soldaten in het fort woonden? Onderzoek naar leren schoenen uit Romeinse forten wijst uit dat er ook kinderen en vrouwen leefden. Als je daar meer over wil weten, luister dan eens deze podcast: https://www.mijndma.com/delimesleeft/podcast/wie-de-schoen-past
Het grootste deel van de dag waren de soldaten buiten bezig. Ze moesten gevechten oefenen in formatie en man tegen man, patrouille lopen, wegen, forten en aquaducten bouwen. Bovendien moesten ze veel kleien: bakstenen, dakpannen en slingerkogels werden allemaal door de soldaten zelf gemaakt.
In Matilo zijn zoveel slingerkogels gevonden dat de archeologen denken dat hier een speciale artillerie-eenheid gelegerd was. Zij schoten de kogels met grote katapulten (onagers of ballistae) af. Met roodgloeiend verhitte kogels konden ze zelfs schepen in brand schieten!
Romeinse slingerkogels uit Matilo, Henk Snaterse.


