Mannaricium (Maurik)
Mannaricium, het huidige Maurik in de gemeente Buren (Gelderland), was een Romeins grensfort op de zuidoever van de toenmalige Rijn. Het lag in een binnenbocht van de rivier en vormde, samen met onder meer Carvo (Kesteren) en Levefanum, de verdedigingslinie tussen Fectio en Castra Herculis. De naam Mannaricium is bekend uit antieke bronnen als de Peutingerkaart, en wordt in verband gebracht met persoonsnamen of stamnamen uit het Romeinse Rijngebied. Door rivierverleggingen is de oorspronkelijke ligging deels onder water of onder dikke kleilagen verdwenen.
De stichting van Mannaricium dateert vermoedelijk van na de Bataafse Opstand van 69-70 na Chr. Het fort vormde een onderdeel van de hernieuwde Romeinse grensverdediging onder keizer Vespasianus, die de Rijngrens na de opstand stevig wilde herstellen. Aanvankelijk werd het castellum in hout en aarde aangelegd; tegen het einde van de tweede eeuw werd het in steen herbouwd. Een rol van Mannaricium tijdens de opstand zelf is op basis van de huidige bronnen niet aantoonbaar.
De bezetting van Mannaricium is dankzij stempels en graffiti op tegels en aardewerk redelijk goed bekend. Tussen circa 70 en 116 na Chr. was hier de Cohors II Hispanorum equitata gelegerd, een gedeeltelijk bereden hulptroepencohort van Spaanse oorsprong. Tot 83 na Chr. deelde deze eenheid het garnizoen met de Cohors II Thracum equitata, eveneens een gemengde infanterie- en ruitereenheid, oorspronkelijk uit Thracië afkomstig.
Het meeste vondstmateriaal kwam tevoorschijn tijdens zandwinning en baggerwerkzaamheden in 1972, in een oude Rijnarm bij Maurik. Daarbij werden grote hoeveelheden bouwmateriaal geborgen: dakpannen, tufsteen, kalksteen, hypocaustumtegels en tubuli, die wijzen op stenen gebouwen met vloer- en wandverwarming. Daarnaast kwamen tientallen fibulae, munten en militaire kleinigheden tevoorschijn. De rijke vondstgroep bestaat vooral uit bouwmateriaal en kleinvondsten.
Rond 270-275 na Chr. werd Mannaricium, in lijn met de overige Nederlandse limescastella, verlaten. Een korte herbezetting wordt aangenomen rond 330 na Chr., al is onzeker of het toen nog om militairen ging of om een burgerlijke vicus. De Rijn heeft de bocht waarin het fort lag in de eeuwen daarna grotendeels weggespoeld, waardoor de exacte plattegrond van Mannaricium nog niet teruggevonden is en de plek voor het oog van het hedendaagse Maurik vrijwel volledig is verdwenen.